OVER GODSBEELDEN

Een wandeling met Socrates langs de IJssel

Samen met Socrates zit ik op een krib aan de IJssel. We hebben onze sneakers en sandalen uitgetrokken en laten onze voeten in het zacht stromende water bungelen. Het is een prachtige najaarsdag. Gouden zonnestralen strelen als een zachte hand mijn gezicht. De koesterende warmte, het kabbelende water en de roodbonte koeien in de uiterwaarden geven mij een gevoel van diepe vrede. Een gevoel dat alles klopt. Dat het goed is! Dit soort momenten, waarop mijn denken tot rust komt, doen zich maar sporadisch voor. Het is alsof ik al heel even een blik in de hemel mag werpen. Die plek waarvan wordt gezegd dat er louter liefde en vrede heerst.

Dan is het gelukzalige moment voorbij. De radertjes in mijn hoofd draaien alweer op volle toeren. Ik kijk mijn wandelmaatje aan en zeg: “Soof, al mijn hele leven ben ik gefascineerd door de vraag wie of wat God nu eigenlijk is. Soms meen ik iets van het goddelijke te ervaren, zoals daarnet. Maar zodra ik erover ga nadenken, roept het alleen maar nieuwe vragen op. Hoe kan ik begrijpen wat zich misschien helemaal niet laat begrijpen? En waarom blijft het mij zo bezighouden?”

Op mijn vierde verjaardag kreeg ik een Kinderbijbel, met op de voorkant een afbeelding van een oude man in een wit gewaad. Vanaf de kaft keek Hij mij liefdevol aan. Ik herinner het mij nu nog. Het was mijn eerste beeld van God, een vriendelijke gestalte bij wie ik mij veilig en geborgen voelde.

Naarmate ik ouder werd, veranderde dat beeld. In de kerk vertelde de dominee dat God in de hemel woont én… dat Hij alles ziet. Vooral als je iets deed wat niet mocht. “Vreemd,” dacht ik bij mijzelf. “Er bestaat dus iemand die alles ziet. Maar waarom kunnen wij Hem niet zien?” Dit beeld van God als persoon heb ik nog jarenlang als werkelijkheid ervaren.

Zo begon op jonge leeftijd mijn zoektocht naar het grote mysterie, naar God. Een zoektocht die mij nooit heeft losgelaten. Ja, ik weet het. Misschien zal ik dit mysterie nooit kunnen doorgronden. Maar vanbinnen is er een diep verlangen dat mij drijft. Een verlangen om te blijven zoeken. Tegen beter weten in.

De oude wijsgeer heeft aandachtig geluisterd en staart peinzend in de verte. “Vertel eens”, zegt hij dan, “Als je God niet langer ziet als een persoon die ergens hoog in de hemel woont, hoe stel je je God dan nu voor? Wie of wat is God voor jou?” Ik kijk Socrates wat onzeker aan. Op dit soort vragen valt gewoonweg geen eenduidig antwoord te geven. Bovendien schiet onze menselijke taal vaak tekort om uit te drukken wat zich vanbinnen afspeelt. Maar toch … ik zal een poging wagen. Met de woorden die mij gegeven zijn. En aarzelend steek ik van wal.

“Laatst vroeg ik mij af, Soof: als ik God niet meer zie als een persoon boven mij, hoe is Hij dan op een andere manier aanwezig? Ik moest daarbij denken aan een gesprek dat ik onlangs had met een hoogbejaarde man. Ik ken hem al jaren. Krachtig en zelfverzekerd staat hij in het leven. We kwamen aan de praat over onze wederzijdse kleinkinderen. Hij vertelde me over zijn zorgen om een kleinzoon. Ik zag emotie weerspiegeld in zijn ogen. En toen gebeurde er iets tussen ons. Volkomen onverwacht liet hij mij iets zien van zijn binnenwereld. Heel even viel zijn sterke buitenkant weg en toonde hij mij zijn kwetsbaarheid.”

Socrates legt zijn hand op mijn arm, kijkt mij onderzoekend aan en vraagt: “Wat raakte je zo?“ “Soof, ik voelde een diepe verbondenheid en ervoer iets wat ons gewone menselijke bestaan leek te overstijgen. Het was alsof onze harten in elkaar overvloeiden.”

“Maar vertel eens,” vraagt de oude wijsgeer, “wat is het dan in die kwetsbaarheid van de ander dat jou zo raakt?” Na enig nadenken antwoord ik aarzelend: “Weet je, Soof, ik denk dat ik God soms het meest nabij ervaar wanneer iemand zijn kwetsbare kant durft te tonen. Wanneer hij zich niet langer verschuilt achter een masker of zijn zekerheden, maar zich laat zien zoals hij werkelijk is. Dan staat die mens als het ware in al zijn naaktheid voor mij. En juist dán licht voor mij iets van het goddelijke op. Dat ervaar ik als een kostbaar geschenk.”

De filosoof en ik vallen even stil. Sommige dingen laten zich alleen in stilte doorvoelen. Maar dan ineens wordt de rust wreed verstoord. Twee meerkoeten stijgen met veel vleugelgeklap op uit het riet. Ik kijk ze na tot ze uit het zicht zijn verdwenen.

Na enkele ogenblikken zeg ik: “Soof, misschien schuilt de schoonheid van het mysterie er juist in dat het zich nooit helemaal laat kennen. Mijn beelden van God zullen ongetwijfeld blijven veranderen. Maar toch… ik zal blijven zoeken. En wie weet zoekt God net zo verlangend naar mij als ik naar Hem.”